- 01
Je spreekt eigenlijk al een beetje Hongaars. 'Koets' komt van het dorp Kocs, waar in de 15e eeuw de paardenkoets werd uitgevonden. Ook 'paprika', 'goulash', 'huzaar' en 'sabel' reisden vanuit het Hongaars het Nederlands — en half Europa — in.
- 02
Hongaars kent geen grammaticaal geslacht. Geen der/die/das zoals in het Duits, geen le/la zoals in het Frans — en verrassend genoeg zelfs geen 'hij/zij/het'-onderscheid. Eén woord 'ő' dekt alle drie. Voor Nederlandstaligen die nog altijd met 'de' versus 'het' worstelen, neemt Hongaars een complete leercategorie weg.
- 03
Hongarije bracht een absurd aantal twintigste-eeuwse iconen voort: Ernő Rubik (van de kubus), Harry Houdini, Béla Lugosi (Dracula), John von Neumann en Edward Teller. De koffiehuizen van Boedapest leverden rond 1900 meer Nobelprijswinnaars per inwoner dan vrijwel elke andere stad ter wereld.
- 04
Klinkerharmonie betekent dat achtervoegsels mee-veranderen met het grondwoord: 'in het huis' is házban, maar 'in de tuin' is kertben. Het klinkt als extra werk, maar Nederlandstalige oren — vertrouwd met klanken als 'eu' en 'uu' — pikken het patroon sneller op dan Engelstaligen, die de klinkers zelf nog moeten leren horen.
- 05
Hongaars is voor Nederlandstaligen de enige kans in Europa om een agglutinerende, niet-Indo-Europese taal te oefenen zonder naar Azië te vliegen. De enige verwanten — Fins en Estisch — liggen meer dan duizend kilometer verderop. Na Duits, Engels, Frans of Spaans voelt Hongaars eindelijk radicaal anders.