- 01
Nederlands en Duits delen zo'n 60 tot 70 procent woordenschat. Woorden als Haus (huis), Wasser (water) en Finger (vinger) herken je direct. Die gedeelde West-Germaanse basis geeft Nederlanders een enorme voorsprong bij het oefenen van Duits ten opzichte van sprekers van niet-Germaanse talen.
- 02
Duits vormt opmerkelijk expressieve woorden door kleinere woorden samen te voegen. Deze samenstellingen, net zoals in het Nederlands, geven de taal meer dan 5,3 miljoen woorden. Termen als Schadenfreude (leedvermaak) en Wanderlust (reislust) zijn zelfs in het Nederlands overgenomen.
- 03
In tegenstelling tot het Nederlands krijgt elk Duits zelfstandig naamwoord een hoofdletter, ongeacht de positie in de zin. Deze eigenschap helpt je bij het lezen om zelfstandige naamwoorden direct te herkennen, wat het tekstbegrip vergemakkelijkt zodra je het patroon doorhebt.
- 04
Duits heeft drie grammaticale geslachten en vier naamvallen — dat is de grootste uitdaging voor Nederlanders. Het Nederlands had vroeger ook naamvallen, dus de logica is niet helemaal vreemd. Het woord voor meisje (Mädchen) is grammaticaal onzijdig, net als in het Nederlands.
- 05
Duits is de meest gesproken moedertaal van de Europese Unie en de op twee na meest bestudeerde taal wereldwijd. Voor Nederlanders is Duitsland bovendien de belangrijkste handelspartner — goed Duits begrijpen is een directe carrièreboost.